Terwijl Frankrijk en Spanje worden geteisterd door allesverzengende natuurbranden, staan brandweereenheden uit vrijwel heel Europa schouder aan schouder in de strijd tegen het vuur. België, Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Portugal, Kroatië, Slowakije en andere Europese landen leveren mensen én materieel. Zelfs Oekraïne, een land dat al jaren onder oorlogsomstandigheden leeft, heeft 70 brandweerlieden en 15 gespecialiseerde voertuigen naar Frankrijk gestuurd om hulp te bieden.
En Nederland?
Nederland beperkt zich tot een groep van twintig brandweermensen die in het kader van een vooraf geplande Europese pre-positioning-missie in Spanje is gestationeerd. Een waardevolle missie, maar zonder Nederlands blusmaterieel en niet op de plaats waar de nood zich nu manifesteert.
Laat daar geen misverstand over bestaan: de Nederlandse collega's in Spanje verdienen alle waardering. Zij voeren hun opdracht professioneel uit en vertegenwoordigen de Nederlandse brandweer met vakmanschap en toewijding. De vraag richt zich nadrukkelijk niet op hun inzet, maar op de keuzes die door de minister en het ministerie van Justitie en Veiligheid, het veiligheidsberaad of de Raad van Commandanten en Directeuren Veiligheidsregio (RCDV) worden gemaakt.
Want hoe is het uit te leggen dat Nederland nauwelijks zichtbaar is in Frankrijk, terwijl juist Frankrijk eerder dit jaar zonder aarzeling brandweermensen en materieel naar Nederland stuurde toen de grote natuurbranden op de Veluwe internationale bijstand noodzakelijk maakten?
Europese solidariteit is geen eenrichtingsverkeer. Zij berust op wederkerigheid: vandaag help je een ander, morgen helpt die ander jou. Dat principe vormt de basis van het Europese Civil Protection Mechanism en heeft de afgelopen jaren zijn waarde keer op keer bewezen. Het Europese Civil Protection Mechanism is daarmee veel meer dan een vrijblijvend samenwerkingsverband. Het is gebaseerd op het uitgangspunt dat lidstaten niet alleen een beroep kunnen doen op de solidariteit van anderen, maar ook zelf in staat zijn een betekenisvolle bijdrage te leveren wanneer elders in Europa een hulpvraag ontstaat. Wederkerigheid vormt de kern van dat systeem.
Juist daarom roept de huidige situatie ongemakkelijke vragen op.
Is Nederland niet gevraagd? Beschikken wij niet over voldoende capaciteit? Zijn er bestuurlijke of operationele belemmeringen? Of zijn wij eenvoudigweg niet meer in staat om een substantiële bijdrage te leveren wanneer Europa daarom vraagt? Welke verklaring ook wordt gegeven, één conclusie dringt zich onvermijdelijk op: de operationele veerkracht (mensen en middelen) van de Nederlandse brandweer staat ernstig onder druk.
Dat beeld staat niet op zichzelf. De Inspectie Justitie en Veiligheid concludeerde in haar onderzoek "Grenzen bereikt" (2025) naar het Grootschalig en Specialistisch Brandweeroptreden (GBO/SO) dat de Nederlandse brandweer onvoldoende is voorbereid op grote, gelijktijdige of langdurige incidenten. Volgens de Inspectie ontbreekt het aan centrale regie, voldoende mensen, materieel en specialistische capaciteit. Wanneer veiligheidsregio's elkaar bovenregionaal moeten ondersteunen, gaat dat direct ten koste van de eigen regionale dekking. Met andere woorden: Nederland beschikt niet alleen over onvoldoende capaciteit om structureel internationale bijstand te leveren, maar heeft zelfs moeite om de eigen nationale slagkracht op peil te houden zodra meerdere grote incidenten zich tegelijkertijd voordoen.
Dat is geen toevalligheid. Het is het resultaat van jarenlang beleid waarin structureel is bezuinigd op capaciteit en reserves. Het aantal basisbrandweereenheden (tankautospuiten) is gedaald van ruim 1500 in 2011 naar zo’n 1100 in 2024. Het aantal hulpverleningsvoertuigen daalde met meer dan de helft van 280 naar 111. De gevolgen van deze inkrimping hebben zich ook vertaald in een afname van de personele capaciteit. Bij de brandweer waren begin 2011 26,9 duizend brandweermensen werkzaam. Dat aantal is met 4500(!) personen gedaald tot 22,4 duizend in 2023. Kazernes beschikken over steeds minder operationele ruimte, specialistische capaciteit staat onder druk en veiligheidsregio's worden opnieuw geconfronteerd met financiële taakstellingen. De afhankelijkheid van brandweervrijwilligers is groter dan ooit, terwijl juist het vinden en behouden van vrijwilligers steeds moeilijker wordt.
De gevolgen worden steeds zichtbaarder. Maar niemand neemt de verantwoordelijkheid op zich om het tij te keren en adequaat in te grijpen.
Nederland hoeft tegenwoordig zelf maar met één of enkele grote natuurbranden te worden geconfronteerd of internationale hulp uit de buurlanden is al noodzakelijk om de brandweerzorg op niveau te houden. Dat is op zichzelf geen schande; Europese samenwerking is juist bedoeld om elkaar in uitzonderlijke situaties te ondersteunen. Maar het wordt wel een probleem wanneer die solidariteit nog maar één kant op lijkt te werken.
Daarom wringt ook de communicatie vanuit de verantwoordelijken. Het is oorverdovend stil.
Vrijwel dagelijks verschijnen berichten vanuit Brandweer Nederland en de afzonderlijke veiligheidsregio's over de ervaringen van de Nederlandse missie in Spanje. Natuurlijk is het goed dat collega's worden gevolgd en dat internationale samenwerking zichtbaar wordt gemaakt. Maar de overvloed aan persoonlijke reportages contrasteert met de stilte over de fundamentele beleidsvragen die de actualiteit oproept.
De samenleving mag verwachten dat wordt uitgelegd waarom Nederland op dit moment geen zichtbare bijdrage levert aan de bestrijding van de natuurbranden in Frankrijk. Transparantie over die afweging is geen luxe, maar een vanzelfsprekend onderdeel van publieke verantwoording.
De natuurbranden van deze zomer maken bovendien duidelijk dat Europa een nieuw tijdperk is binnengetreden. Langdurige droogte, extreme hitte en grootschalige natuurbranden zijn geen incidentele gebeurtenissen meer, maar een structureel veiligheidsvraagstuk. Dat vraagt om een brandweer die niet alleen is voorbereid op incidenten binnen de eigen regio en landsgrenzen, maar ook daadwerkelijk kan bijdragen aan de Europese weerbaarheid.
Daarvoor is meer nodig dan mooie woorden over samenwerking. Dat vraagt om voldoende mensen, modern materieel, strategische reserves en een krachtige vrijwilligersorganisatie. Het vraagt ook om politieke keuzes. Want zolang de operationele ruimte van de Nederlandse brandweer verder afneemt, zal Nederland steeds vaker afhankelijk zijn van de hulp van anderen en steeds minder in staat zijn die hulp terug te geven.
Oproep aan de minister van Justitie en Veiligheid, het Veiligheidsberaad en Brandweer Nederland
De VBV roept daarom de minister van Justitie en Veiligheid, het Veiligheidsberaad en Brandweer Nederland op om niet alleen openheid te geven over de gemaakte keuzes, maar vooral werk te maken van een fundamentele versterking van de Nederlandse brandweer. Dat begint met een landelijke doctrine voor grootschalig, bovenregionaal en internationaal brandweeroptreden, waarin eenduidig wordt vastgelegd welke operationele capaciteit Nederland permanent beschikbaar houdt voor nationale én Europese inzet.
Die doctrine moet worden ondersteund door landelijke regie, uniforme procedures, gestandaardiseerd materieel, interoperabele verbindingen en een afgedwongen minimumcapaciteit die iedere veiligheidsregio levert aan bovenregionale en internationale bijstand. Alleen dan ontstaat een voorspelbare, robuuste en daadwerkelijk inzetbare nationale brandweerorganisatie, in plaats van 25 afzonderlijke regio's die ieder hun eigen afwegingen maken. Juist op dat punt wees de Inspectie JenV eerder al op het ontbreken van voldoende uniformiteit, landelijke slagkracht en centrale governance.
De vraag is immers niet óf Nederland opnieuw internationale hulp nodig zal hebben. Die vraag is de afgelopen jaren al beantwoord.
De werkelijke vraag is veel fundamenteler:
Wil Nederland een land zijn dat uitsluitend kan rekenen op de solidariteit van anderen, of een land waarop Europa ook zelf kan rekenen wanneer de nood het hoogst is?
