
De Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers (VBV) is verheugd dat de Tweede Kamer vandaag vrijwel alle moties heeft aangenomen die zijn ingediend tijdens het tweeminutendebat Nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing. Alleen de motie over het beschikbaar stellen van 30 miljoen euro vanuit Defensie voor landelijk inzetbare specialistische brandweerteams kreeg geen meerderheid.
De brede steun voor de overige moties is van grote betekenis. De waarschuwingen die onder meer de Algemene Rekenkamer, de commissie-Muller, de Inspectie Justitie en Veiligheid en de VBV herhaaldelijk hebben afgegeven over de afnemende operationele slagkracht van de brandweer, krijgen hiermee nadrukkelijk politieke erkenning en urgentie.
De aangenomen moties raken rechtstreeks aan doelstellingen waarvoor de VBV zich al jaren inzet:
Vooral de aangenomen motie om wettelijk vast te leggen wie bij regio-overstijgende rampen en crises welke verantwoordelijkheden en bevoegdheden heeft, is belangrijk. De commissie-Muller constateerde in 2020 al dat sprake was van een ‘bovenregionaal niemandsland’, zonder gezamenlijke bestuurlijke besluitvorming, landelijke normen en een landelijk overzicht van de gezamenlijk beschikbare slagkracht. De stemming van vandaag geeft een duidelijke opdracht om deze bestuurlijke leemte bij de herziening van de Wet veiligheidsregio’s daadwerkelijk op te lossen.
Ook de motie over de specialistische capaciteit voor incidentbestrijding gevaarlijke stoffen is voor de VBV van groot belang. Onze recente brief aan de Onderzoeksraad voor Veiligheid laat zien welke risico’s ontstaan wanneer specialistische teams slechts op enkele plaatsen beschikbaar zijn en zeer lange afstanden moeten afleggen. Dat de Kamer nu vraagt om vast te stellen of overal in Nederland tijdig en veilig kan worden opgetreden en de landelijke dekking waar nodig te versterken, sluit rechtstreeks aan bij onze zorgen.
Hetzelfde geldt voor de aangenomen moties over natuurbrandbestrijding. Meer landelijke regie en betere samenwerking zijn noodzakelijk, maar regie over schaarste blijft schaarste. Eerst moet worden vastgesteld welk beschermingsniveau Nederland nodig heeft, welke operationele capaciteit daarvoor beschikbaar moet zijn en welke landelijke minimumnormen daarbij horen.
De verwerping van de motie over financiering vanuit Defensie neemt niet weg dat landelijk inzetbare specialistische capaciteit structureel moet worden georganiseerd en bekostigd. Een landelijke verantwoordelijkheid kan niet blijvend afhankelijk zijn van vrijwillige samenwerking en incidentele financiering door afzonderlijke veiligheidsregio’s.
De stemming is daarom geen eindpunt, maar wel een belangrijke politieke stap. De aangenomen moties bieden een stevig vertrekpunt voor de komende herziening van de Wet veiligheidsregio’s en voor de inrichting van een toekomstbestendige brandweerzorg.
Ook de VBV buigt zich momenteel over de vraag hoe die toekomstbestendige brandweerzorg moet worden ingericht. Daarbij staat niet het behoud van het bestaande stelsel centraal, maar de vraag welke brandweer Nederland de komende decennia nodig heeft om burgers én brandweermensen voldoende bescherming te bieden. De benodigde kwaliteit, capaciteit en landelijke slagkracht moeten het uitgangspunt vormen; de bestuurlijke en wettelijke inrichting moet daarvan een afgeleide zijn.
De VBV zal de uitvoering van de aangenomen moties nauwlettend volgen en haar eigen visie actief inbrengen bij de verdere politieke en wettelijke uitwerking. De opdracht is helder: breng de werkelijk beschikbare slagkracht landelijk in beeld, stel vast welke capaciteit noodzakelijk is, borg verantwoordelijkheden en bevoegdheden in de wet en zorg voor effectief toezicht en ingrijpen wanneer het vereiste niveau niet wordt gehaald.
Alleen zo ontstaat een brandweerorganisatie die niet uitsluitend op papier goed is georganiseerd, maar ook bij meerdere gelijktijdige, langdurige en specialistische incidenten daadwerkelijk voldoende mensen, middelen en slagkracht beschikbaar heeft.
