
Terwijl Duitsland besluit om maar liefst 10 miljard Euro extra te investeren in de versterking van de civiele bescherming, voert Nederland vanaf 2026 een landelijke korting van circa 10% op de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) door. Die korting vertaalt zich in vrijwel alle 25 veiligheidsregio’s in nieuwe taakstellingen, bezuinigingen en het interen op reserves.
Het contrast kan nauwelijks groter zijn.
De Duitse regering kiest nadrukkelijk voor versterking van zowel de militaire als de civiele weerbaarheid. De miljardeninvestering wordt ingezet voor onder meer medische infrastructuur, noodopvang, waarschuwingssystemen, specialistische voertuigen en schuilvoorzieningen. Daarbij bouwt Duitsland voort op een reeds bestaande, robuuste civiele beschermingsstructuur met onder meer het Technisches Hilfswerk (THW): een landelijke organisatie met tienduizenden vrijwilligers, zware technische capaciteiten en een sterke nationale crisisstructuur.
Nederland kiest ondertussen de tegenovergestelde route.
Waar Duitsland investeert in redundantie, nationale paraatheid en civiele bescherming, heeft Nederland in het verleden juist de klassieke structuren voor civiele bescherming afgebroken. De Bescherming Bevolking (BB) werd opgeheven, het Korps Mobiele Colonnes verdween en veel nationale specialistische rampenbestrijdingscapaciteit werd in de loop der jaren afgeschaald of geregionaliseerd. Bovenop de voortdurende krimp van de capaciteiten, geeft de Nederlandse regering, bij monde van de minister van Justitie en Veiligheid, in een brief aan de Tweede Kamer aan dat de korting van €27,7 miljoen op de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) niet gerepareerd kan worden en dat de korting gehandhaafd wordt.
Tegelijkertijd constateerde de Inspectie JenV in het recente rapport ‘Grenzen bereikt’ dat van de slagkracht en opschalingscapaciteit zoals die ooit was voorzien in de Leidraad Brandweercompagnie uit 1996 nog maar weinig is overgebleven. De Inspectie waarschuwt dat de Nederlandse brandweer onvoldoende is voorbereid op grote, gelijktijdige of langdurige incidenten en dat bijstand tussen regio’s direct ten koste gaat van de reguliere brandweerzorg. Daarmee staat feitelijk geen volwaardige parate hulpverleningsorganisatie meer gereed voor situaties waarin Nederland wordt geconfronteerd met meerdere grootschalige incidenten tegelijkertijd. Dat werd recent pijnlijk duidelijk toen na één dag met enkele grote natuurbranden de Nederlandse bestrijdingscapaciteit al zo goed als uitgeput was en hulp uit het buitenland moest worden ingeroepen.
Zo is Nederland steeds afhankelijker geworden van de 25 veiligheidsregio’s, die – enkele uitzonderingen daargelaten - sinds de regionalisering van de brandweer in 2014 voortdurend worden geconfronteerd met bezuinigingsopdrachten. Uit een actuele inventarisatie blijkt dat verschillende regio’s rekening houden met structurele kortingen die uiteenlopen van enkele tonnen tot enkele miljoenen per regio. En daar komt voorlopig geen eind aan, zo lezen we ook in het voorwoord van de begroting 2026-2029 van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord. In andere begrotingen wordt gesproken over vacaturestops, inzet van reserves, versobering en “ombuigingsmaatregelen”.
Tegelijkertijd waarschuwde de Algemene Rekenkamer nadrukkelijk voor het te zwaar leunen op Defensie bij rampenbestrijding en crisisbeheersing. In het rapport ‘De derde hoofdtaak van de krijgsmacht’ concludeert de Rekenkamer dat beleid en inzet versnipperd zijn en dat Defensie zelf kampt met capaciteitsvraagstukken en prioriteitsproblemen. Ook is onvoldoende duidelijk hoe schaarse militaire capaciteiten verdeeld moeten worden wanneer meerdere crises of hoofdtaken samenkomen.
Die waarschuwing raakt de kern van het probleem. Nederland lijkt er impliciet van uit te gaan dat Defensie structureel gaten kan opvullen in de civiele rampenbestrijding, terwijl dezelfde krijgsmacht momenteel juist fors wordt belast met NAVO-verplichtingen, gereedstelling en militaire opschaling.
Gegeven deze conclusies en de eerdere waarschuwing betreffende natuurbranden, is het goed dat de Algemene Rekenkamer in het recente verantwoordingsonderzoek veel aandacht heeft besteed aan het thema veiligheid. Maar helaas lijkt de Rekenkamer in haar rapportage een groter probleem te zien in het feit dat we niet weten hoe lang ambtenaren uit de lucht zijn als het toch mis zou gaan met de cybersecurity van digitale werkplekken, dan de armoedige staat van het stelsel van crisisbeheersing en rampenbestrijding in ons land en de daarmee verbonden fysieke veiligheid van onze burgers.
Het gevolg is een opmerkelijke tegenstelling: juist nu de geopolitieke dreigingen toenemen, natuurbranden extremer worden, hybride dreigingen zich ontwikkelen en de noodzaak van nationale weerbaarheid overal in Europa centraal staat, kiest Nederland ervoor om verder te bezuinigen op de organisatie die bij rampen en crises als eerste moet optreden.
Duitsland trekt €10 miljard uit om de civiele bescherming te versterken.
Nederland houdt de hand op de knip bij een brandweer- en crisisorganisatie die al jarenlang kampt met afnemende slagkracht, oplopende tekorten en steeds grotere afhankelijkheid van improvisatie. Dat is geen verschil in begrotingstechniek, maar in urgentiebesef. Bij rampen, crises en hybride dreigingen koop je paraatheid niet terug op de dag dat je haar nodig hebt.
