
Foto: Defensie
Nederland moet leren grote natuurbranden soms te laten branden, stelt landelijk regisseur natuurbrand Jelmer Dam in de Volkskrant. Zijn pleidooi voor een Deltaplan Natuurbrand verdient serieuze aandacht. Maar zijn interview legt tegelijkertijd een ongemakkelijke werkelijkheid bloot: bij één grote natuurbrand ontstond dit jaar al schaarste in de rest van Nederland. Dat probleem is allesbehalve nieuw. Al in 2011 waarschuwde de Inspectie voor tekortkomingen in capaciteit, samenwerking en landelijke regie. De Algemene Rekenkamer deed dat opnieuw in 2021 en de Inspectie Justitie en Veiligheid in 2025. De vraag is daarom gerechtvaardigd: ontwikkelen we werkelijk een nieuwe natuurbranddoctrine, of dreigen we een vijftien jaar lang niet opgelost capaciteitsprobleem te normaliseren?
Landelijk regisseur natuurbrand Jelmer Dam doet in de Volkskrant van 19 augustus een indringende oproep. Nederland heeft volgens hem een Deltaplan Natuurbrand nodig en zal anders moeten leren omgaan met vuur.
Niet iedere extreme natuurbrand kan met steeds meer brandweerwagens worden bedwongen. Soms zal men een brand bewust op zijn beloop moeten laten om voldoende capaciteit beschikbaar te houden voor andere branden en incidenten.
Dat is vakinhoudelijk geen vreemde gedachte. Moderne natuurbrandbeheersing omvat veel meer dan blussen: preventie, brandstofmanagement, inrichting van het landschap, stoplijnen, tegenbranden en soms het bewust ruimte geven aan vuur.
Dam wijst bovendien terecht op de noodzaak van andere middelen en technieken: handgereedschappen, bulldozers, helikopters, vliegtuigen en gespecialiseerde analisten.
Maar vervolgens zegt hij iets dat de discussie in een ander daglicht plaatst.
Bij één brand ontstond al na één dag landelijke schaarste
Tijdens de zeer grote natuurbrand bij ’t Harde in april 2026 waren zoveel specialistische teams nodig dat volgens Dam al op de eerste dag schaarste ontstond in de rest van Nederland.
Er werd zelfs rekening gehouden met een tweede grote natuurbrand. In dat geval zou niet opnieuw alle benodigde capaciteit daarop worden ingezet.
Daarmee wordt het onderscheid cruciaal tussen een brand bewust laten branden omdat dit operationeel de beste strategie is en een brand moeten laten branden omdat onvoldoende mensen en middelen beschikbaar zijn.
Het eerste is strategie.
Het tweede is schaarste.
En juist voor die schaarste wordt Nederland al vijftien jaar gewaarschuwd.
2011: acht van de tien regio's onvoldoende voorbereid
In 2011 onderzocht de toenmalige Inspectie Openbare Orde en Veiligheid de Nederlandse voorbereiding op natuurbranden.
Acht van de tien onderzochte veiligheidsregio's waren niet goed voorbereid. Er waren grote verschillen in operationele slagkracht, kennis en bestrijdingstactiek. Het aanvragen en leveren van bijstand was onvoldoende geregeld en de Inspectie kon niet eens vaststellen of Nederland in staat was meerdere grote natuurbranden gelijktijdig effectief te bestrijden.
Ook toen was de vraag al hoeveel specialistisch en terreinvaardig materieel Nederland daadwerkelijk nodig had en hoe dat bovenregionaal en landelijk moest worden verdeeld.
Opvallend is dat de Inspectie destijds twee uitzonderingen maakte: de veiligheidsregio's Noord- en Oost-Gelderland en Gelderland-Midden. Daar zou de voorbereiding zowel bestuurlijk als operationeel goed op orde zijn.
De minister nam dat oordeel over en plaatste de nieuwe Landelijk Kwartiermaker Interbestuurlijke Samenwerking Natuurbranden zelfs bij Noord- en Oost-Gelderland.
De oplossingen lagen in 2011 al op tafel
Het meest opmerkelijke aan de beleidsreactie van toen is misschien wel hoeveel van de oplossingen die nu opnieuw worden genoemd al in 2011 waren bedacht.
De minister kondigde onder meer aan:
Daarover werd op 26 mei 2011 uitvoerig in de Tweede Kamer gedebatteerd.
Ook daar kwam de fundamentele discussie over regionale autonomie versus landelijke slagkracht al voorbij. Vanuit de Kamer werd zelfs geopperd om expertise voor natuurbranden veel meer nationaal te organiseren.
We schrijven 2011.
Vijftien jaar later vraagt Dam in de Volkskrant opnieuw om landelijke regie en iemand met een duidelijk mandaat.
2014: juist de voorbeeldregio's raken in problemen
Het positieve oordeel over Gelderland-Midden en Noord- en Oost-Gelderland kreeg bovendien al snel een ongemakkelijke werkelijkheidstoets.
Op Eerste Paasdag 2014 woedde op de Veluwe een van de grootste Nederlandse natuurbranden van dat moment. Circa 350 hectare ging verloren.
De officiële evaluatie van Gelderland-Midden was positief over de bestrijding. De VBV kreeg van direct betrokken brandweermensen echter een heel ander beeld.
Bijna twintig blusvoertuigen raakten volgens onze informatie vast in drassig terrein. Een ploeg moest het voertuig verlaten en voor het vuur vluchten. Er waren problemen met de commandovoering en verbindingen en beide buurregio's gebruikten verschillende informatiesystemen die niet goed op elkaar aansloten.
Juist Gelderland-Midden en Noord- en Oost-Gelderland waren inmiddels de expertregio's die een belangrijke rol hadden gekregen bij de landelijke ontwikkeling van de natuurbrandbestrijding.
Het is te gemakkelijk om daarmee achteraf het volledige Inspectieoordeel uit 2011 ongeldig te verklaren. Maar de brand van 2014 relativeerde het positieve beeld van de twee voorbeeldregio's op zijn minst ernstig.
En belangrijker: ook hier kwamen de bekende problemen met uniformiteit, informatievoorziening, commandovoering en bovenregionale samenwerking opnieuw naar boven.
2021: Algemene Rekenkamer waarschuwt opnieuw
Tien jaar na het eerste Inspectierapport trok de Algemene Rekenkamer opnieuw aan de bel na de grote natuurbranden in de Deurnese Peel en De Meinweg in 2020.
De conclusie: er bestond een substantieel en reëel risico dat meerdere gelijktijdige grote natuurbranden niet snel onder controle zouden kunnen worden gebracht.
Opnieuw ging het om onvoldoende specialistische bestrijdingscapaciteit en materieel en om tekortkomingen in bevoegdheden en samenwerking tussen veiligheidsregio's.
De Rekenkamer wees er bovendien op dat Nederland tijdens de branden van 2020 profiteerde van uitzonderlijke omstandigheden. Door corona waren veel internationale inzetten en oefeningen van Defensie geschrapt en waren relatief veel brandweervrijwilligers beschikbaar.
Bij De Meinweg werd daarnaast een omvangrijk beroep gedaan op Duitsland: 1.600 Duitse brandweerlieden kwamen helpen.
De Rekenkamer adviseerde opnieuw om inzichtelijk te maken hoeveel capaciteit beschikbaar is én hoeveel capaciteit Nederland nodig heeft.
2025: Grenzen bereikt
In november 2025 volgt de Inspectie Justitie en Veiligheid met Grenzen bereikt.
Opnieuw dezelfde rode draad.
De brandweer is onvoldoende voorbereid op grote, gelijktijdige en langdurige incidenten. Het ontbreekt aan regie, mensen en materieel.
Bij natuurbrandbestrijding beschikken slechts twaalf van de 25 veiligheidsregio's over één of meer natuurbrandpelotons. Slechts drie regio's beschikken over minimaal vier pelotons zoals voorzien in GBO 2.0.
Twaalf veiligheidsregio's hebben helemaal geen specialistisch team natuurbrandbestrijding.
Materieel, werkwijzen en zelfs de personele omvang van een natuurbrandpeloton verschillen sterk. En van de twaalf regio's met natuurbrandpelotons hebben er slechts vier afspraken over bovenregionale inzet en twee over landelijke inzet.
De Inspectie spreekt over een kloof tussen regionale autonomie en de noodzaak tot landelijke uitvoering.
Bijna letterlijk de kwestie waarover in 2011 al werd gedebatteerd.
2026: het voorspelde scenario doet zich voor
En dan komt ’t Harde.
Bij één zeer grote natuurbrand ontstaat volgens de landelijk regisseur natuurbrand al op de eerste dag schaarste in de rest van Nederland.
Het risico dat in 2011 niet kon worden uitgesloten, waarvoor de Rekenkamer in 2021 expliciet waarschuwde en dat de Inspectie in 2025 opnieuw constateerde, is daarmee geen theoretische exercitie meer.
Het doet zich daadwerkelijk voor.
Daarom verdient de uitspraak dat we moeten leren branden te laten branden nadere beschouwing.
Want hoeveel van die keuze wordt ingegeven door nieuwe vakinhoudelijke inzichten — en hoeveel door de grenzen van onze beschikbare capaciteit?
Ook internationale bijstand legt onze kwetsbaarheid bloot
De internationale ontwikkelingen maken die vraag nog relevanter.
Nederlandse brandweermensen doen in Spanje waardevolle ervaring op via het Europese prepositioning-programma. Zij worden vooraf in risicogebieden gestationeerd om de lokale brandweer te ondersteunen én te leren van landen met veel meer ervaring met extreme natuurbranden.
Maar dat is niet hetzelfde als vanuit Nederland bij een acute crisis een omvangrijke brandweermacht met materieel naar het buitenland sturen.
Bij de zware Spaanse natuurbranden in 2025 leverde Nederland wel acute hulp met twee Chinooks. En afgelopen weekend werden opnieuw twee Nederlandse Chinooks ingezet bij de zeer grote natuurbrand in de Belgische Hoge Venen.
Dat is belangrijke internationale solidariteit.
Maar in beide gevallen betreft het helikopters van Defensie, niet van de Nederlandse brandweer.
Dat onderscheid doet ertoe.
Want als Duitsland, Frankrijk, Spanje of Portugal morgen om meerdere Nederlandse natuurbrandpelotons mét voertuigen en logistieke ondersteuning vraagt, ontstaat een ongemakkelijke vraag:
kunnen wij die eigenlijk missen?
Wanneer één grote brand in ’t Harde al na één dag tot landelijke schaarste leidt, is het moeilijk voorstelbaar dat Nederland langdurig substantiële brandweercapaciteit naar het buitenland kan sturen zonder gevolgen voor de eigen dekking.
Nederland kon in 2020 wel een beroep doen op 1.600 Duitse collega's.
Europese solidariteit vraagt uiteindelijk ook om wederkerigheid.
Laten branden stond overigens al in 2011 op tafel
Er is nog een opvallend detail.
Zelfs het idee om natuurbranden onder bepaalde omstandigheden bewust te laten branden is niet nieuw.
De Inspectie OOV besprak die mogelijkheid al in 2011. Maar daarbij gold een belangrijke voorwaarde: risicocommunicatie, preventie en operationele voorbereiding moesten op orde zijn en de veiligheid van mensen, vitale infrastructuur en economische belangen mocht niet worden geschaad.
Die volgorde is essentieel.
Eerst organiseren dat je kúnt optreden. Daarna kun je bewust besluiten dat je het niet doet.
Wanneer een brand daarentegen moet doorbranden omdat specialistische eenheden elders staan, regio's hun capaciteit niet kunnen missen of de nationale restdekking anders ontoereikend wordt, spreken we over iets anders.
Dan is "laten branden" geen doctrine meer.
Dan is het een gevolg van schaarste.
Een Deltaplan? Graag — maar dan wel compleet
Daarom steunen wij de oproep voor een Deltaplan Natuurbrand.
Maar zo'n plan mag niet alleen gaan over natuurbeheer, preventie en leren leven met vuur. Het moet ook eindelijk antwoord geven op de vragen die sinds 2011 telkens opnieuw worden gesteld.
→ Hoeveel specialistische natuurbrandcapaciteit heeft Nederland nodig?
→ Hoeveel daarvan moet gegarandeerd beschikbaar zijn voor gelijktijdige incidenten?
→ Wie heeft bij landelijke schaarste het mandaat om capaciteit te verdelen?
→ Welke materieel-, opleidings- en operationele standaarden gelden voor alle veiligheidsregio's?
→ Hoe wordt luchtsteun structureel georganiseerd?
→ En hoeveel strategische reserve heeft Nederland nodig om niet alleen zichzelf, maar ook Europese buurlanden te kunnen helpen?
Wat ons betreft vraagt dat om één nationale doctrine, uniforme specialistische eenheden, gegarandeerde bovenregionale en landelijke capaciteit, nationale regie met daadwerkelijk mandaat én onafhankelijk toezicht met effectieve handhaving van landelijke normen.
Vijftien jaar waarschuwingen
Wie de geschiedenis samenvat, ziet inmiddels een patroon:
2011: de Inspectie constateert onvoldoende voorbereiding, gebrekkige bijstand en grote regionale verschillen. Landelijke doctrine, capaciteitenanalyse en regie worden aangekondigd.
2014: juist bij een grote brand in het werkgebied van de twee eerder als voorbeeld aangemerkte regio's blijken ernstige operationele en bovenregionale problemen.
2021: de Algemene Rekenkamer waarschuwt dat gelijktijdige grote natuurbranden mogelijk niet beheersbaar zijn door onvoldoende specialistische capaciteit.
2025: de Inspectie JenV concludeert in Grenzen bereikt opnieuw dat landelijke regie, uniformiteit, mensen en materieel tekortschieten.
April 2026: bij één grote natuurbrand in ’t Harde ontstaat al na één dag daadwerkelijk landelijke schaarste.
Augustus 2026: Nederland levert met militaire Chinooks internationale natuurbrandbijstand in België, terwijl Dam tegelijkertijd constateert dat de Nederlandse brandweer grote branden soms zal moeten laten branden om capaciteit voor andere incidenten over te houden.
Vijftien jaar onderzoeken, beleidsreacties, verbeterprogramma's en waarschuwingen hebben daarmee één fundamentele vraag nog altijd niet beantwoord:
Heeft Nederland voldoende georganiseerde brandweercapaciteit om grote en gelijktijdige natuurbranden daadwerkelijk te bestrijden?
De praktijk geeft op dit moment weinig reden voor geruststelling.
Een Deltaplan Natuurbrand is daarom hard nodig.
Niet om een tekort aan brandweercapaciteit bestuurlijk acceptabel te maken, maar om eindelijk te realiseren wat in 2011 feitelijk al werd aangekondigd: landelijke regie, een uniforme doctrine en voldoende bovenregionale en nationale slagkracht.
Leren leven met vuur is verstandig. Leren leven met onvoldoende brandweer is dat niet.
