
De zeer grote natuurbrand bij De Rosmolen in Oostrum heeft opnieuw duidelijk gemaakt hoe complex de bestrijding van natuurbranden in Nederland kan zijn. Naast droogte, wind en moeilijke bereikbaarheid speelde in dit gebied nog een extra risicofactor: de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog.
Uit signalen uit onze achterban en het liveblog van de NOS blijkt dat tijdens de bestrijding daadwerkelijk ontploffingen zijn waargenomen. Als gevolg daarvan werd de inzet aangepast en kregen brandweereenheden de instructie om uitsluitend vanuit de voertuigen of vanaf paden en wegen te blussen.
Dat roept een aantal inhoudelijke vragen op die verder gaan dan de bestrijding van deze ene natuurbrand.
Welke risico's waren vooraf bekend?
De gemeente Venray beschikt over een openbare verwachtingenkaart voor ontplofbare oorlogsresten. Daarop zijn gebieden aangegeven waar verschillende categorieën munitie uit de Tweede Wereldoorlog kunnen worden aangetroffen. Volgens de gemeente moeten werkzaamheden in verdachte gebieden vooraf worden beoordeeld en kan aanvullend explosievenonderzoek noodzakelijk zijn.
Op de kaart is het gebied rond De Rosmolen niet alleen aangeduid als verdacht voor klein kaliber munitie, maar worden in delen van het gebied (geel gearceerd) ook ‘mijnen en vernietigingsmiddelen’ als mogelijke achtergebleven oorlogsresten genoemd.
Dat beeld lijkt moeilijk te rijmen met de publieke mededeling van een woordvoerder van de veiligheidsregio dat in het brandgebied uitsluitend sprake zou zijn van "een zeer klein kaliber aan munitie".
Welke informatie lag tijdens de inzet op tafel?
Juist omdat de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten rechtstreeks invloed heeft op de veiligheid van brandweermensen, is het relevant om te weten:
Dat zijn geen verwijtende vragen, maar vragen die direct raken aan de arbeidsveiligheid van de ingezette collega's.
Hoe zijn de handcrews ingezet?
Deze vragen worden nog relevanter wanneer wordt gekeken naar de inzet van de gealarmeerde handcrews.
Het primaire werk van handcrews bestaat immers uit het handmatig aanleggen van stoplijnen, het verwijderen van brandstof en het openen van de bodem met handgereedschap. Juist dat type werkzaamheden kan een ander risicoprofiel kennen dan het blussen vanaf een voertuig.
Daarom is het gerechtvaardigd om te vragen:
Zijn handcrews daadwerkelijk ingezet in de verdachte gebieden?
Een vraag voor de evaluatie:
De inzet in Venray verdient veel waardering. De brandweer heeft onder moeilijke omstandigheden een zeer grote natuurbrand bestreden waarbij uiteindelijk landelijke specialistische capaciteit is ingezet.
Juist daarom is het van belang om ook deze veiligheidsvraag zorgvuldig te evalueren.
Niet om achteraf kritiek te leveren op de gemaakte keuzes, maar om vast te stellen of de huidige doctrine voor natuurbrandbestrijding voldoende rekening houdt met natuurgebieden waar een verhoogde kans bestaat op ontplofbare oorlogsresten.
De combinatie van natuurbrandbestrijding, handmatig grondwerk en een mogelijk met explosieven belast terrein is uitzonderlijk. Dat maakt het des te belangrijker om vast te stellen welke informatie beschikbaar was, hoe die is gewogen en welke lessen daaruit kunnen worden getrokken.
Want uiteindelijk staan de volgende vragen centraal:
Dat zijn vragen die niet alleen relevant zijn voor de evaluatie van de natuurbrand bij Venray, maar ook voor toekomstige inzetten in vergelijkbare gebieden.
Wij zullen deze vragen ook voorleggen aan de Landelijke Adviescommissie Arbeidsveiligheid-Brandweer (LAA-B) en andere relevante partijen.
