De Veiligheidsregio Zeeland heeft van de brandweerpost in Cadzand een bestuurlijke estafette gemaakt. Eerst laat je de post langzaam leeglopen. Daarna constateer je met ernstige blik dat er niemand meer aan de start staat. En tenslotte verklaar je dat de enige verstandige oplossing is de estafettestok maar helemaal weg te gooien. Dat is management in zijn zuiverste vorm: niet repareren wat kapotgaat, maar administratief vaststellen dat het niet meer te repareren is.
Volgens de eigen stukken was al jarenlang sprake van een structureel tekort. Vier volledig inzetbare vrijwilligers op een post waarvoor er achttien nodig zouden zijn. Kritieke functies die afhankelijk waren van een handvol mensen. Dat is ernstig. Maar het is vooral een beschrijving van jarenlang bestuurlijk nalaten. Wie een voorziening langzaam laat uitdrogen, kan moeilijk verbaasd zijn dat de plant uiteindelijk dood is.
De elegantste truc zit in de volgorde. Er is, zo lezen we, gewerkt aan werving, aan nieuwe inzetconcepten en aan allerlei varianten. Maar vrijwel in dezelfde adem wordt vastgesteld dat verbetering op korte en middellange termijn "niet aannemelijk" is. Daarmee verandert ieder alternatief in een formaliteit. Eerst verklein je de mogelijkheden, vervolgens verklaar je ze kansloos en daarna presenteer je dezelfde conclusie als onvermijdelijk. De inspraak mag nog wel plaatsvinden, maar vooral omdat het bestuursrecht dat nu eenmaal prettig vindt.
Nog interessanter wordt het wanneer de veiligheidsregio zelf erkent dat ook ná sluiting aanvullende maatregelen nodig blijven omdat de opkomsttijden al onder druk staan. Daarmee valt de eigen redenering uit elkaar. De sluiting lost het veiligheidsprobleem niet op. Ze lost slechts de aanwezigheid van een brandweerpost op. Het tekort verdwijnt niet; het verhuist. De risico's verdwijnen niet; ze worden herverdeeld. Maar bestuurlijk oogt het dossier ineens wel keurig afgehecht.
Ook het argument over het beperkte wervingspotentieel verdient een tweede blik. Een verzorgingsgebied van ongeveer vijfhonderd inwoners wordt opgevoerd als bewijs dat een levensvatbare post onmogelijk is. Alsof bevolkingsomvang een natuurwet is. Alsof werving, binding, werkgeversbenadering en opleidingsbeleid geen enkele invloed hebben. Een bevolking is geen voorraadkast die vanzelf leeg raakt. Soms is een lege plank vooral het resultaat van jarenlang vergeten boodschappen te doen.
En dan dat zinnetje: "heel zuur voor de vrijwilligers." In bestuursland is dat ongeveer de equivalent van een condoleancekaart die al op de mat ligt terwijl de slopershamer nog warm is. De vrijwilligers krijgen een compliment. De post krijgt een sterfhuisconstructie. Iedereen wordt bedankt voor bewezen diensten, behalve de inwoners die straks verder van hun brandweer afwonen.
Wat vooral opvalt, is hoe zorgvuldig falen kan worden verpakt. Elk hoofdstuk ademt verantwoordelijkheid, zorgvuldigheid en onvermijdelijkheid. Nergens lees je de ongemakkelijke vraag hoe een post zó lang kon afglijden zonder dat iemand tijdig aan de noodrem trok. Dat hoofdstuk ontbreekt. Zoals het in veel bestuurlijke dossiers ontbreekt.
De sluiting van Cadzand is daarmee meer dan het verdwijnen van een brandweerpost. Het is een masterclass bestuurlijke zelfrechtvaardiging. Eerst laat je een probleem jarenlang rijpen. Daarna presenteer je het als natuurverschijnsel. En tenslotte noem je de rekening "goed bestuur". Dat klinkt een stuk netter dan toegeven dat je het stuur al jaren geleden hebt losgelaten.
Ineens zijn daar de woorden huichelaars, en verraad. En die zet ik hier neer zonder enige schaamte of voorbehoud.