
Deze samenvatting is gebaseerd op het uitgebreide VBV-artikel ‘Het bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen als kerntaak van de brandweer – Tussen wettelijke normen, bestuurlijke keuzes en feitelijke slagkracht’. In het volledige artikel worden de wettelijke achtergrond, de bestuurlijke besluitvorming sinds 2019, de ontwikkeling van 25 naar zes specialistische gaspakteams, de bevindingen van de Inspectie JenV en de recente casus Eindhoven uitgebreid beschreven en van bronnen voorzien. (Foto: fotopersburo Bert Jansen/Dave Hendriks)
Incidenten met gevaarlijke stoffen komen relatief weinig voor, maar kunnen grote gevolgen hebben voor werknemers, omwonenden, hulpverleners en milieu. Bij een lekkage, chemische reactie of ongeval kan snel optreden noodzakelijk zijn om slachtoffers te redden, verdere verspreiding te voorkomen en de bron van het incident te bestrijden. Juist daarom is Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen (IBGS) één van de kerntaken van de brandweer.
De wetgever heeft dit maatschappelijke veiligheidsbelang vertaald in concrete eisen. Iedere veiligheidsregio moet beschikken over een eenheid voor de bestrijding van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Deze moet onder meer beschikken over acht gaspakdragers en in staat zijn slachtoffers uit besmet gebied te redden, de bron te bestrijden en mensen te ontsmetten. Volgens artikel 4.2.2 van het Besluit veiligheidsregio’s moet deze eenheid binnen dertig minuten na alarmering op de plaats van het incident met haar taken beginnen.
Sinds 2014 is de organisatie van IBGS ingrijpend veranderd. Waar Nederland oorspronkelijk 25 gaspakteams kende, wordt toegewerkt naar zes specialistische teams voor bronbestrijding. De gedachte daarachter is begrijpelijk: door schaarse specialistische inzetten te concentreren kunnen kennis, oefening en ervaring worden vergroot.
Maar kwaliteit bestaat bij spoedeisende hulpverlening niet alleen uit deskundigheid. Ook geografische beschikbaarheid en opkomsttijd zijn bepalend. Een uitstekend geoefend specialistisch team dat van grote afstand moet komen, biedt niet vanzelfsprekend betere bescherming wanneer onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk is.
Daarbij doet zich een fundamenteel probleem voor. Al in 2019 erkenden het Veiligheidsberaad en de minister van Justitie en Veiligheid dat de nieuwe IBGS-organisatie afweek van de geldende regelgeving. Veiligheidsregio’s mochten onder voorwaarden op toekomstige aanpassing daarvan vooruitlopen. Die aanpassing van het Besluit veiligheidsregio’s bleef echter uit, terwijl de operationele doorontwikkeling doorging.
De VBV waarschuwde in 2022 al voor deze ontwikkeling. Gaspakteams verdwenen, opkomsttijden werden in sommige regio’s verruimd en een helder landelijk beeld van de feitelijke dekking en gevolgen voor burgers en brandweerpersoneel ontbrak. In 2025 constateerde ook de Inspectie JenV in Grenzen bereikt tekortkomingen in de landelijke en bovenregionale slagkracht, specialistische capaciteit, bestuurlijke borging en centrale sturing.
Op 31 augustus 2026 werd bij een incident met salpeterzuur in Eindhoven zichtbaar wat deze ontwikkeling in de praktijk kan betekenen. De eerste brandweereenheden konden de situatie monitoren en stabiliseren, maar beschikten niet over de bescherming waarmee de gevaarlijke stof daadwerkelijk kon worden benaderd. Daarvoor werd een gespecialiseerd gaspakteam uit Rotterdam gealarmeerd.
Dat is opvallend, omdat Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost in haar Dekkingsplan 2025 stelt over een IBGS-peloton voor de gehele regio te beschikken en aan de wettelijke norm te voldoen.
Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of in Eindhoven formeel een wettelijke termijn is overschreden. Belangrijker is wat er gebeurt wanneer bij een volgend incident wél een slachtoffer in het besmette gebied ligt, een lekkage onmiddellijk moet worden gestopt of een chemische reactie dreigt te escaleren. Dan is reistijd geen juridische abstractie, maar tijd waarin noodzakelijke hulp mogelijk niet kan worden verleend.
De discussie over IBGS mag daarom niet worden gereduceerd tot een discussie over regelgeving, organisatievormen of efficiency. De wezenlijke vraag is:
Kan iemand die ergens in Nederland bij een ernstig incident met gevaarlijke stoffen onmiddellijk specialistische hulp nodig heeft, erop vertrouwen dat de brandweer die hulp nog tijdig kan leveren?
Concentratie van specialistische expertise kan voordelen hebben. Maar dan moet overtuigend worden aangetoond dat het maatschappelijke beschermingsniveau ten minste behouden blijft.
Als dat niet kan worden aangetoond, gaat het niet meer alleen om een verschil tussen wet en uitvoeringspraktijk. Dan gaat het om de vraag of de samenleving door de concentratie en afbouw van specialistische brandweercapaciteit minder bescherming heeft gekregen, zonder dat daar ooit expliciet voor is gekozen.
Deze samenvatting geeft alleen de hoofdlijnen weer. De volledige analyse, inclusief de onderliggende wettelijke bepalingen, bestuurlijke documenten, eerdere waarschuwingen van de VBV, de bevindingen van de Inspectie JenV en de analyse van het incident in Eindhoven, is te lezen in:
